SPAARNDAM - De Nederlandse Staat handelt niet onrechtmatig tegenover watersportverenigingen door te wachten met het repareren van de Buitenhuizerbrug in Spaarndam. Dat volgt uit een uitspraak in een kort geding van diverse watersportverenigingen tegen de Staat. De Staat werkt op dit moment aan een plan op het gebied van infrastructuur om te bepalen in welke volgorde hij het beschikbare geld gaat uitgeven. De Staat heeft volgens de voorzieningenrechter in redelijkheid kunnen beslissen om de brug niet nu te repareren, maar onderdeel te laten vormen van dat plan.

De brug

De Buitenhuizerbrug uit 1997 is een beweegbare brug over het Zijkanaal C in Spaarndam. De brug maakt onderdeel uit van de zogenaamde Staande Mast Route. Dat is een doorgaande vaarroute voor schippers van schepen hoger dan 6 meter om van de Deltawateren tot het IJsselmeergebied te varen via binnenwateren. Sinds augustus 2023 zijn er geregeld storingen in de werking van de brug. Nadat eind 2025 een van de twee hydrauliekpompen kapot is gegaan, bleek op 5 februari 2026 dat de andere pomp ernstige olielekkage vertoonde. Daarop besloot Rijkwaterstaat om de brug niet langer te openen voor hoge scheepvaart. De andere (oostelijke) route om naar het IJsselmeergebied te komen, is eveneens gestremd.

Het geschil

Volgens de watersportverenigingen verzuimt de Staat zijn wettelijke onderhoudsverplichting na te komen door de storing aan de brug niet te verhelpen. Daarmee veroorzaakt de Staat grote hinder. Dat is niet te rechtvaardigen, omdat er sprake is van een klein probleem waarvoor een relatief eenvoudige en goedkope oplossing voorhanden is, zo stellen de verenigingen.

De Staat stelt dat hij op dit moment niet al het noodzakelijke onderhoud aan infrastructurele werken direct kan uitvoeren. Daarbij wijst de Staat erop dat veel bruggen, tunnels en sluizen het einde van hun technische levensduur naderen, terwijl de financiële beschikbare middelen beperkt zijn. De Staat werkt daarom aan een prioritering om te bepalen in welke volgorde hij het beschikbare geld op dit gebied gaat uitgeven. Ook de Buitenhuizerbrug wordt daarbij betrokken. Besluitvorming wordt na de zomer verwacht. Volgens de Staat is er geen aanleiding om vooruitlopend hierop financiële middelen in te zetten om de storing aan de Buitenhuizerbrug op te lossen.

Oordeel Rechtbank

De voorzieningenrechter oordeelt dat de Staat in redelijkheid heeft kunnen komen tot de belangenafweging die is gemaakt. De Staat is zich ervan bewust dat de buitenwerkingstelling van de brug nadelige gevolgen heeft voor de watersportverenigingen en hun leden, maar er spelen veel meer belangen dan deze. De Staat moet al die belangen meewegen en vervolgens prioriteiten stellen vanwege het gebrek aan voldoende financiële middelen. Bij de uitvoering van die publieke taak heeft de Staat een grote mate van vrijheid. De keuze van de Staat om relatief overzichtelijke reparaties onderdeel te laten vormen van een grotere afweging en prioritering bij de besteding van het budget vindt de voorzieningenrechter navolgbaar. Voor zover de watersportverenigingen nog hebben gewezen op de veiligheidsrisico’s van een ‘gedwongen’ tocht over de Noordzee, stelt de voorzieningenrechter dat het aan individuele schippers is om te beoordelen of zo’n reis verantwoord is of niet.